Van vondst tot bruikleen

Het is tegenwoordig gebruikelijk dat bij de aanleg van een woonwijk of een weg de bodem vooraf wordt bekeken op archeologische sporen. Dit onderzoek verloopt in een aantal stappen:

Door middel van een bureauonderzoek wordt gekeken of er een gerede kans bestaat op oude bewoningssporen. Vervolgens wordt er proefonderzoek verricht, meestal in de vorm van boringen.

Als er sporen en vondsten aan het licht komen kan besloten worden om het stuk grond te sparen. Is dit niet mogelijk dan wordt er opgegraven, gewoonlijk door een opgravingsbedrijf.

De sporen worden getekend en de vondsten verzameld. Binnen twee jaar wordt hierover een rapport geschreven, waarna de vondsten worden overgedragen aan het depot in Nuis.

In het depot worden de vondsten ingeschreven en opgeborgen. Er liggen in Nuis een paar miljoen vondsten, verdeeld over ruim 200.000 inventarisnummers. Na inschrijving zijn ze toegankelijk voor onderzoek of kunnen ze in bruikleen worden gegeven aan musea of uitgeleend voor tijdelijke exposities.

 
De archeologische expositie in het HCL in Leeuwarden